CBS De Brug
 

Een publicatie uit 1942 over
Het Pesthuis en Dolhuis


Het Dolhuis aan de Hoogstraat
Links van het Dolhuis is het Gasthuis met toren te zien.
Tussen Dolhuis en Gasthuis is de toegang tot het Gasthuiskerkhof

 

Aan het "oosteinde" van de stad op de Hoogstraat waren  het Pesthuis en Dolhuis gelokaliseerd.

Alleen de oorsprong van het Pesthuis lag in de middeleeuwen. Van het Colchos-eiland aan de vest was het in 1556 verhuisd naar het voormalige St. Annaklooster aan de Goudschewagenstraat, dat in 1563 door brand verwoest werd. Dat het huis herbouwd is, staat vast, maar waar en voor hoelang de patiënten elders ondergebracht werden, is onbekend.

In 1598 namen de wezen hun intrek in het Pesthuis en eerst een jaar later werd de eerste steen gelegd voor een nieuw gebouw op een terrein ten oosten van het Gasthuis, waarvan een gevelsteen de bestemming vermeldde:



"De Heeren van de Stadt hebben bedogt
Dit Huis te bouwen
Voor Mans en Vrouwen
Die met de gave Godts sullen werden besocht".

Die "gave Gods" maakte in de eerste helft van de 17de eeuw nog veel slachtoffers. In 1602 en 1603, dus kort na de ingebruikneming van het nieuwe gebouw, richtte ze weer hevige verwoestingen aan, zoodat als vanouds van hoogerhand voorschriften werden gegeven ter beteugeling van het besmettingsgevaar. Aan een epidemie, die in 1624 in Rotterdam woedde, herinneren twee ruiten die thans in het Oudheidkundig Museum bewaard worden.

Het optreden van deze epidemieën plaatste de overheid herhaaldelijk voor de moeilijkheid van een acuut gebrek aan grafruimte. Na de opheffing van de kloosters immers waren ook de daaraan verbonden kerkhoven als begraafplaatsen vervallen, zoodat alleen de parochiekerk en het kerkhof daaromheen overgebleven waren. Aangezien ook daar weinig grond meer beschikbaar was, nam de Vroedschap in het pestjaar 1624 het besluit, om de kerk van het Boshuis aan de Hoogstraat bij het Roodezand met het erf daarnaast als begraafplaats in gebruik te nemen.

Gedurende de epidemie van 1635 kwam men opnieuw begraafplaatsen te kort, zoodat de stad in dat jaar overging tot den aankoop van een stuk grond achter het geschutgietershuis dat zich van de Kipsloot tot de vest uitstrekte (tusschen de Goudschewagenstraat en de Lange Frankenstraat). Het heette in het begin St. Maartenskerkhof, later St. Janskerkhof. Het terrein ten noorden van de St. Laurens was inmiddels als begraafplaats buiten gebruik gesteld.


Het Rotterdamse Gasthuis. Rechts is de toegang tot het Gasthuiskerkhof.

De behandeling van de zieken was sinds 1593 toevertrouwd aan een stadspestmeester. Tijdens de epidemie van 1603 werden er twee pestvroedvrouwen aangestelde terwijl in 1624 voor het eerst een adjunct-pestmeester voorkwam.
Het baantje was overigens, zooals te begrijpen is, weinig begeerd, zoodat het vaak moeite kostte personen te vinden, bereid om tegen een niet al te ruim salaris hun leven in de waagschaal te stellen. Dit bleek in 1635, toen de functionaris bij het uitbreken van de ziekte ontslag vroeg; het tractement voor zijn opvolger moest toen op f 600.- gebracht worden. Bovendien genoot hij voor het verplichte onderzoek ten huize van de lijders, dat over de noodzakelijkheid van de opneming in het gesticht besliste, een gratificatie van den patiënt naar gelang van diens welgesteldheid.

Voor de verpleging in het Pesthuis waren de zieken krachtens een reglement van 1626 in drie betalingsklassen en in een klasse van niet betalenden ingedeeld. Stierven zij in het Huis, dan trad dit in den eigendom van hun ingebrachte goederen en van de tractementen of loonen, die zij op het oogenblik van hun overlijden van het land of de Admiraliteit (LINK) te vorderen hadden; wanneer de passiva de activa overtroffen had het Pesthuis recht van preferentie voor de gemaakte onkosten.

Voor het opnemen van personen uit andere godshuizen, die de pest kregen moest f 6.- worden betaald en verder f 4.- per week. Alleen het Oudemannenhuis echter betaalde resp. f 10.- en f 6.- "alsoo dat huys van vermogen is".
Dit was ook de reden, waarom het mét het Gasthuis aanvankelijk voor het onderhoud van het Pesthuis zorgde door levering van linnen, wol en "montcosten" voor de zieken.

In het begin van de 17de eeuw werd de waarde hiervan gekapitaliseerd en werden voor dit bedrag rentebrieven verleend.

In 1609 stonden de Staten bij octrooi een loterij ten gunste van de godshuizen toe en op speciaal verlangen van de Gasthuis- en Postmeesters besloot de Vroedschap in 1611 om tegen de Rotterdamsche kermis, bij het eindigen van de loterij, "een intrede van de kamers van rhetorique op te richten" om den kooplust te stimuleeren.

Trouwens in dezen tijd had het gesticht vermeerdering van zijn inkomsten hard noodig. Het gebouw deed aanvankelijk n.l. alleen dienst gedurende epidemieën. In het begin van de 17de eeuw nu werd het gewoonte, om het ook in normale tijden open te stellen door er krankzinnigen in op te nemen. Zoo kwamen al in 1608 regenten van het Pest- en Dolhuis voor en in 1609 werd aangevangen met den bouw van eenige "dolhuisjes" achter het Pesthuis om daarin krankzinnigen, die een gevaar voor de openbare veiligheid opleverden, te kunnen opsluiten.

Tot dusverre was de Weeskamer belast met het beheer der goederen van en het toezicht op de personen, die zichzelf niet konden "regeeren" waaronder ook "krankzinnigen en simpelen" gerekend werden.
Voortaan onthief de gelegenheid, om zielszieken in het Pesthuis op te nemen, weesmeesters van de vaak moeilijke plicht hen bij particulieren of in andere godshuizen onderdak en verpleging te bezorgen.

Verzoeken tot opneming van "innocente en dolle personen" behoorden tot de overheid gericht te worden. Regenten moesten dan uitmaken, of er termen aanwezig waren om het verzoek toe te staan. Ook zonder aanvrage had het stadsbestuur de bevoegdheid, personen, die het gevaarlijk achtte voor de samenleving, in het Dolhuis te "confineeren".

Zieken mochten slechts op een certificaat van den pestmeester, bestaande in een lood, in het Pesthuis worden opgenomen en dan nog alleen 's morgens vroeg en 's avonds laat, om de bevolking niet nog ongeruster te maken dan ze al was.

Allengs namen de epidemieën af. In 1655 stierven hier nog 84 menschen in de week aan de gevreesde ziekte, maar na 1667 kwam ze niet meer epidemisch in Rotterdam voor. Deze laatste epidemie was overigens niet minder ernstig en zeker van langer duur dan haar voorgangsters. Gedurende drie jaren maakte ze haar slachtoffers in deze stad, behoudens een korte onderbreking in Maart 1665.
Maar men was terdege op zijn quivive, had van Delft een afschrift van de "provisioneele ordre op het weren ende stuyten van de besmettelijcke sieckte" ter inzage gekregen, liet op de kermis, "vermits de grasserende pestilentiale siecte bijnaer door de geheele provincie van Hollant en Westvriesland", geen kramen van buiten de stad toe, trad met kracht tegen vreemde bedelaars op en stelde straf op het in bescherming nemen van deze elementen tegen de justitie, hetzij uit kwaadwilligheid of uit verkeerd begrepen medelijden.

Een keur van 5 September 1664 schreef voor, dat alle dooden voortaan slechts door daartoe aangestelde doodbidders mochten begraven worden en dat het dragen van lange rouwmantels op straat verboden was. Deze maatregel was een uitvloeisel van een rapport, in opdracht van de Staten door een aantal hoogleeraren in de medicijnen en doktoren opgesteld tot afwending van het besmettingsgevaar, dat door toedoen van de Staten in druk was verspreid.

Misschien was het aan de nauwkeurige naleving van de in dit rapport opgesomde voorschriften te danken, dat de pest zich sedert 1667 nog slechts sporadisch in Rotterdam voordeed. Mogelijk diende het Pesthuis voortaan voor opneming van lijders aan andere besmettelijke ziekten. Zeker was dit het geval in 1674, toen het Gasthuis zoo boordevol zieke en gekwetste militairen was, dat besloten werd, de soldaten, lijdende aan rooden loop, naar het Pesthuis over te brengen.

In 1696 vatte men het plan op om het Gasthuis, dat bouwvallig begon te worden, te verkoopen en het Pesthuis na verbouwing voor dat doel in te richten.





Slot Honingen

In verband daarmee zou de opstal van het Slot Honingen aangekocht worden voor den bouw van een nieuw Pesthuis. In 1698 werd dit terrein ook werkelijk eigendom van de stad, maar de ziekenhuisplannen gingen niet door. In 1707 kwam de zaak weer ter sprake: er werd toen gewaarschuwd tegen langer uitstel, om niet door een onverwachts optredende epidemie overrompeld te worden. Vier Jaar later werd tot den bouw besloten, niet op de aanvankelijk gekozen plaats, maar op het eiland Feyenoord, ter plaatse, waar eens de Galg van de Admiraliteit (LINK) gestaan had sinds 1580.




1756

Het Pesthuis van Rotterdam op het eiland Feyenoord


1801 Het Pesthuis van Rotterdam op het eiland Feyenoord
vanaf de Plantage zien we het rechts aan de overkant, achter de bomen liggen.


Van 1813 tot 1818 werd het door Gerrit Jan ter Hoeven gebruikt als werkinrichting voor door armhuizen ter beschikking gestelde kinderen. In 1826 kwam het gebouw in handen van de Nederlandsche Stoombootmaatschappij (NSM), het werd verbouwd tot machinefabriek t.b.v. de in de buurt gebouwde scheepswerf. Het gebouw kreeg toen de naam Etablissement Fijenoord




Het Etablissement Fijenoord opgericht in 1825 op de plaats van het Pesthuis
het zou nu hebben gestaan tussen de Oranjeboomstraat en de Nassauhaven



Terug naar ons verhaal :

In 1716 was het Pesthuis dus gereed: een eenvoudig vierkant gebouw met aan iedere zijde tien ramen, die op het land en zes, die op de binnenplaats uitzicht gaven. Een ruime zolder, door een achtkantig torentje bekroonde vormde de eenige verdieping. In het midden van de binnenplaats was een gemetselde waterkom, die door middel van een onder de gang gelegen riool in verbinding stond met de rivier, zoodat men ten allen tijde versch water bij de hand had.

Gelukkig behoefde dit gebouw nooit als ziekenhuis voor pestlijders gebruikt te worden. In ieder geval was het voor de Rotterdamsche kooplieden een geruststellende gedachte, dat er onder den rook van de stad en toch volkomen geïsoleerde een hospitaal stonde waarin in geval van nood besmettelijke zieken konden worden afgezonderde zoodat de handel daaronder niet behoefde te lijden.

Tot 1747 stond het Pesthuis leeg, maar van dat jaar tot 1750 deed het op verzoek van de Staten-Generaal na de overgave van Bergen op Zoom dienst als Landshospitaal en in 1781 werd het aan de Admiraliteit toegewezen om er de Engelsche krijgsgevangenen in verzekerde bewaring te houden, tot de stad er zelf weer de vrije beschikking over zou willen hebben.

Het voormalige Pesthuis op de Hoogstraat diende sedert den bouw van het gesticht op Feyenoord (en vermoedelijk al geruimen tijd daarvóór) uitsluitend tot het verplegen van krankzinnigen en zwakzinnigen. Voor hun omgeving gevaarlijke geesteskranken vonden echter in den regel plaatsing in het Tuchthuis omdat, zooals de motiveering in een bepaald geval luidde, "sijn quaedaertigheyt veel grooter is dan de krancksinnigheyt".

Ook andere onsociale elementen konden sedert 1735, bij overbevolking van het beterhuis "Padua", in het Dolhuis opgesloten worden. In den volksmond heette het dan ook wel Beter- en Dolhuis, Beterhuis aan het Oosteinde, Malta of Klein-Padua.

In 1741 werd tot een algeheele verbouwing besloten, misschien op instignatie van Dr. Pieter Vink, die toen in het college van regenten zitting had. Eerst drie jaar later kwamen de plannen tot uitvoering. De lage dolhuisjes aan de straatzijde werden gesloopt en maakten plaats voor een breeden gevel. Het voorgebouw bevatte vertrekken voor den binnenvader en zijn helpers, voor regenten en regentessen. In de regentenkamer stonden op een paneel de volgende toepasselijke versregels van Jacob Kortebrant geschilderd:

Hier wordt de woedende Krankzinnigheid betoomt,
Daar ze in den kerker brult, dat ieder schrikt en schroomt;
Hier wordt de Onnoozelheid geleid met zagte zeelen,
Die als een simpel kind al mijmerend loopt spelen;
Hier wordt de Dronkenschap en snoode ontugtigheid
Besteed, beteugeld en tot beterschap bereid;
Dus moet de reine Deugd dit heilzaam oogmerk prijzen,
Maar hij, die nimmer valt, behoeft niet op te rijzen.

Op de eerste verdieping van het voorpand bevonden zich de politiekamers en daarboven de kleerzolders, in de zijvleugels en het achterpand de gevangenhokken, de dollengalerije het Padua en de turf- en graanzolders, keukens en kelders.
Het geheel omsloot een "door een grasplein en eenige geboomte veraangenaamde binnenplaats".

Deze kleine veraangenaming zal het lot der arme lijders trouwens wel weinig verzacht hebben. De houten deuren der kooien waren met stevige traliën voorzien en de vloer van ieder hok liep naar het midden eenigszins af ter bevordering van de reinheid; de af te voeren stoffen werden door een gat, dat in het laagste punt van den vloer was aangebrachte in een daaronder geplaatste bak opgevangen.

Gedurende de kermis konden de aldus gekooide patiënten tegen betaling van een klein bedrag bezichtigd worden.

<TOP>


 

cbs De Brug
Christinaplaats 1  -  3223 XE Hellevoetsluis

Tel: 0181 313638

Fax: 0181 390251