De Pest of  de "Zwarte dood".
<terug>

 

In de 14e eeuw werd Europa overvallen door een vreemde ziekte. Het begon zo in de herfst van 1347 op Sicilië, bereikte in januari 1348 Marseille en verspreidde zich vandaar over Europa uit. Pas rond 1352 was het voorbij. De mensen stonden voor een raadsel. De ziekte was gemakkelijk te herkennen: hoge koorts, onrust, verwardheid en bulten zo groot als een appel of een ei in hals, oksel of lies, het spugen van bloed. Op sommige plaatsen waren ook paars-zwarte verkleuringen te zien. (Vandaar misschien de bijnaam voor de pest: de zwarte dood) Niemand wist waar de ziekte vandaan kwam of wat er tegen te doen was.

Van de toenmalige bevolking van Europa, 25 miljoen mensen, werd in 5 jaar tijd, - 1347 tot 1352 - door de pest weggerukt. Tegenwoordig weet men, dat deze zwarte infectieziekten door vlooien wordt overgebracht, die op knaagdieren tieren.
De belangrijkste overdrager van de pestbacterie is de rattenvlo. Mensen raakten door de beten van de vlo, of door het inademen van geďnfecteerde lucht besmet. In de 14e eeuw wist men echter niets van dit alles. Destijds dacht men dat deze ziekte een  straf van God was voor de zonden van de mensen.

  Het eerste slachtoffer:

De eerste slachtoffers van de pest werden in ijltempo in haastig opgeworpen graven, of bleven geruime tijd op straat liggen. Het leven in de stad kwam tot stilstand, toen de ziekte zich steeds verder uitbreidde, en de mensen ontvluchtten hun huizen. De lucht leek eveneens verpest te zijn door 'een ondraaglijke stank, zo afschuwelijk, dat men er door bevangen raakt'.

Hiernaast zie een afbeelding van een pestmeester.

Een pestmeester verzorgde de zieken. Hij droeg een lange jas en een masker dat leek op een pinguďn-bek. 
Dit masker was gevuld met kruiden (o.a. jeneverbessen en het boerenwormkruid) om de kwade dampen tegen te gaan
.

Slechts weinig steden en landstreken bleven gespaard. In Milaan bijvoorbeeld gaf de aartsbisschop opdracht de eerste drie huizen, die door de pest getroffen werden, samen met de bewoners dicht te metselen. 
Zijn bevel  werd opgevolgd en Milaan bleef zodoende gevrijwaard van de pest. Zonder te weten hoe de pest zich uitbreidde, had de aartsbisschop toch een afdoend middel tegen de ziekte gevonden; het isoleren of  in afzondering zetten.

Ook op grotere schaal bewees afzondering een uitstekend middel te zijn; grote delen van Polen bleven hierdoor wellicht verschoond, want de bestuurders hadden hier een quarantaine ingesteld. 

Ook paus Clemens VI, die zijn residentie in het Zuidfranse Avignon had, redde zijn leven door isolering. Op aanraden van zijn arts trok hij zich in zijn privé-vertrekken terug, waar hij verscheidene weken in eenzaamheid doorbracht. Ondanks de hitte van de zomer brandden hier constant twee grote vuren. Deze geneeskundige raad was zeer zinvol, want de hitte weerde de vlooien af. Een Engelse edelman redde ook door vuur zijn leven. Onbarmhartig liet hij een nabijgelegen dorp waar de pest was uitgebroken plat branden. Noch de vlammen, noch de vlooien bereikten zijn huis.

Londen 1665:

Toen in het jaar 1665 Londen weer door de pest bezocht werd, waren de artsen niet beter uitgerust dan in de eeuwen ervoor. Duizenden werden het slachtoffer. Vreemd genoeg werden in de 17e eeuw tallozen katten gedood, om op deze wijze de pest te bestrijden. Daarbij waren dat juist de dieren die het bestand ratten hadden kunnen terugbrengen, waarop de vlooien, die de pestbacterie overdragen, welig tierden. In 1894 werd de verwekker van de pest ontdekt. Pas daarna kon men de fatale ziekte afdoende bestrijden.

In Holland trof de pest heel veel steden, waaronder Gouda. Omstreeks 1602 stierven daar in verschillende epidemieën ca. 450 mensen. De zieken in Gouda verpleegde men in die tijd in het pesthuis aan de Varkensmarkt. Het Pesthuis is later omgebouwd tot kazerne en staat er nog steeds. Ook Leiden, Rotterdam, Amsterdam en andere grote steden in Holland hadden een pesthuis.
In Rotterdam stierf ten tijde van de pest de gehele Nieuwe Molenstraat uit. De ziekte had iets geheimzinnigs en de mensen waren bang. Boeteprocessies trokken door de steden en de mensen riepen de beschermheilige Sint Rochus aan. Om besmetting door ‘verziekte lucht’ tegen te gaan, brandden er tonnen pek en teer op straat. Godsdienstige dwepers of “Flagellanten” wilden door zelfkastijding (zichzelf pijn doen) de duivel uitdrijven. 
Zij trokken halfnaakt over straat terwijl ze zichzelf met zwepen op hun rug sloegen. De extreme Flagellanten zochten de schuld van de pest bij mensen die niet geliefd waren. Vooral Joden beschuldigde men ervan, dat ze de pest zouden verspreiden door het water te vergiftigen. Een ware Jodenvervolging ontstond, vooral in Duitsland en in de Zuidelijke Nederlanden (nu België) vonden grote slachtingen plaats. In Mainz werd door de Flagellanten zelfs de gehele Joodse gemeenschap uitgeroeid. 
Pas in 1667 was de pest in Europa uitgewoed.

Lees nu over het pesthuis en dolhuis in Rotterdam of ga terug.

<Pesthuis en Dolhuis Rotterdam>

<Terug>