|
|
Het
was stil in de Efteling en alle Laafjes zaten te eten. De avonden
waren voor de kleinste Laafjes altijd het leukst, want dan mochten
ze voor het slapen nog even de Efteling in gaan om te spelen. Dan
waren immers alle mensen vertrokken en was het er heel stil. Maar
op een dag had Moeder
Lot hen gevraagd of ze even wilden blijven zitten, want ze moest
nog iets vertellen. Vlug aten de kleinste Laafjes hun bord leeg,
want anders zou
het te donker zijn en dan mochten ze niet meer naar buiten. "Luister",
zei Moeder Lot, "er zijn nu wel geen mensen meer in het park,
maar ik hoorde dat ze vanavond terug komen om de kerstboom te gaan
versieren. Dus ga niet te ver en maak geen lawaai." "Okč",
riepen de kleinste Laafjes en weg waren ze. Oh, oh dacht Moeder
Lot, als dat maar goed gaat. Het zijn zulke bengels. "Ach,
moeder", zei Laaf Loeres, "ze zijn met z'n zessen. Ze
passen wel op elkaar. Ik zag dat ze naar de grot van Sneeuwwitje
liepen, dat is hier
|
|

|
vlakbij".
En dat was inderdaad zo. Net als alle andere
Laven in de
Efteling leefden de kleine Laafjes erg mee met het verdriet dat de
dwergen hadden. Heel zachtjes liepen Laaf Lous en Laaf Lingel naar
het glazen kistje waar Sneeuwwitje in lag. Als je haar zo zag
liggen, zou je haast denken dat ze sliep. En net toen zij op hun
tenen weer wegliepen, hoorden ze roepen: "de mensen komen er
aan".
|
|
Vlug
doken de Laafjes in de eerste de beste prullenbak die zij zagen.
"Papier hier", riep de prullenbak. En toen zij door de
opening naar buiten keken, zagen ze Laaf Laan en Lengel staan, die
tegelijk riepen: "Grapje... , ha, ha, ha, kom maar weer te
voorschijn". "Gaan jullie mee naar de kerstboom kijken,
Laaf Lerretje en Lerst zijn er ook net naar toe". Dat vonden
ze een goed idee, en samen zochten ze de kerstboom. Hij stond
verder dan ze dachten. Het was een hele grote boom en er hing nog
helemaal niets in.
Hij stond vlak bij het winkeltje. "Wat is hij hoog",
zei Laaf Lingel, terwijl ze er omheen liepen. "Kom", zei
Laaf Lous "laten we weer met het speelgoed gaan spelen in de
winkel." Met z'n zessen gingen ze naar binnen. Er lagen
allemaal knuffels en er stonden prentbriefkaarten waar de Laafjes
op stonden. Ook lagen er sprookjesboeken met mooie plaatjes. Hier
konden ze altijd uren spelen. "Kijk", zei Laaf Lingel,
"er staan hier allemaal nieuwe spullen in de hoek"
"Oh, ik weet het al", zei Laaf Laan "dat zijn de
kerst- versieringen" Met z'n zessen gingen ze alles
uitgebreid bekijken.
|
|
Ze
vonden een engeltje, een kerstkous, een gouden maantje en nog veel
meer. "Kijk", zei Laaf Lous, "ik ga zaklopen."
En hij hupte de winkel door in de kous. "En ik ben een engel
en ik ga vliegen," zei Laaf Lengel. Hij had de vleugels van
een kerstengel op zijn rug gebonden en sprong van de plank in een
berg van knuffels. Laaf Lerretje liep rond met een
kerstster op zijn hoofd en Laaf Laan was aan het schommelen op een
gouden maantje. Ze vergaten de tijd en waren zo
aan het spelen dat ze de mensen niet hoorden aankomen. Laaf Laan
had het 't eerst in de gaten en hij riep snel: "niet
|

|
|
meer bewegen,
dan denken ze dat wij bij de nieuwe kerstversieringen horen".
Laaf Laan hield stijf de gouden maan vast en Laaf Lerst bleef ook
stilstaan in het kerstpakje dat hij even gepast had. Laaf Lous
bleef in de kous zitten en Laaf Lerretje bleef vriendelijk lachend
staan met de kerstster op zijn
hoofd. Laaf Lengel die de vleugels van de engel nog op zijn rug
had, bewoog alleen met zijn ogen om te kijken waar Laaf Lingel
gebleven was. Oh, daar stond hij, verkleed als een sneeuwman met
een kerstklokje op zijn hoofd.
En zo kwam het dat de Laafjes in de grote
kerstboom werden gehangen. De mensen die de boom kwamen versieren
dachten dat ze bij de kerstspullen hoorden en hingen ze netjes in
de boom. Gelukkig had Laaf Loeres alles gezien en het aan Moeder
Lot verteld. Moeder Lot moest er wel om lachen. "Dat komt er
nou van, ik had nog zo gezegd dat ze niet te ver moesten gaan".
En zo kwam het, dat de zes Laafjes niet aan het
kerstontbijt zaten, maar in de kerstboom hingen. Daar werden ze
bewonderd door de kinderen, die de Winter
Efteling bezochten.
|
|
|